Direct of indirect: er zijn veel redenen te bedenken waarom wij in Europa niet echt een beurscultuur hebben. Of het nu gaat om een gebrek aan liquiditeit, een afhankelijkheid van Amerikaanse fondsen, een structurele waarderingskorting of aandelenmarkten die het moeten stellen zonder spraakmakende beursintroducties. Deze ogenschijnlijke voorzichtigheid benadeelt in de eerste plaats Europese burgers maar verzwakt ook hun kapitaalmarkten.
Maar is die voorzichtigheid wel reëel? Volgens een peiling van consultancybureau PwC is het antwoord: ja. 70 % van de Europeanen weigert het kleinste financiële risico te nemen, tegenover slechts 40 % in de Verenigde Staten. Daarbij valt op dat onder die 40 % "voorzichtige” Amerikanen een kwart risicovolle activa bezit - bij Europeanen is dat amper een tiende.
Een factor die in de analyse van risicoaversie in Europa vaak wordt onderschat, is het heersende klimaat: de dagelijkse sfeer die op de gemoederen weegt. Een risicovolle investering is in de eerste plaats een daad van vertrouwen. En precies daar hebben het publieke debat en het politieke discours een grote invloed. Amerikanen zijn opgegroeid met het idee van Amerikaans exceptionalisme. Als je ervan uitgaat dat de toekomst beter wordt, is het heden draaglijker. Maar op lange termijn denken is onmogelijk in een omgeving waarin twijfel overheerst. Daardoor is het bijzonder, bijzonder moeilijk om te investeren als je niet in de toekomst gelooft.
Een beetje politieke wil
Ook de impact van overheidsbeleid en regulering is moeilijk te negeren. Zonder in het pensioendebat te stappen (al is dat nooit ver weg), verdienen andere hefbomen het om in de schijnwerpers te worden gezet.
Neem Zweden, waar 36,3 % van het financiële vermogen van huishoudens in aandelen is belegd. Dat ligt dicht bij het niveau in de Verenigde Staten (39,2 %).
Een recept om inspiratie uit te halen en vooral een bewijs dat een cultuur van beleggen in risicovolle activa politiek kan worden opgebouwd.
Het recept lijkt eenvoudig: verlaag de toetredingsdrempels zoveel mogelijk. Met een reeks duurzame hervormingen heeft Zweden een echte cultuur van particuliere aandeelhouders opgebouwd.
In de jaren 1970 leverde beleggen via bepaalde vehikels belastingvoordelen op. Vervolgens introduceerde het land een gemengd pensioensysteem, met de invoering van een spaarrekening die via lonen wordt gefinancierd en gekoppeld is aan ieders pensioen.
In dezelfde logica van toegankelijkheid speelde de vereenvoudiging van de fiscaliteit en van beleggingsinstrumenten een doorslaggevende rol. Vandaag gebruikt bijna een derde van de Zweden de fiscale regeling ISK. De flat tax bedraagt 30 % buiten dit beleggingsvehikel, maar binnen dit vehikel zakt ze naar 0,888 %. Transacties of meerwaarden hoeven niet te worden aangegeven; de belasting wordt berekend op basis van het bedrag op de rekening. Ze betalen wel belasting, zelfs in verliesjaren, maar de eerste 28.000 euro is vrijgesteld en het mogelijke beleggingsuniversum reikt verder dan de Europese Economische Ruimte.
Vandaag zijn de "Folkaktier” ("volksaandelen”) een cultureel fenomeen in Zweden. De term verwijst naar lokale bedrijven die gedeelde symbolen zijn geworden, waarbij iedereen kan bijdragen aan de nationale economische activiteit. Wanneer klanten ook aandeelhouders zijn, wordt de governance er aanzienlijk anders bekeken.
Zweedse bedrijven wenden zich daardoor vaker tot de openbare markten dan andere landen en is de liquiditeit er beter dan in de rest van de EU.

Aandeel beursgenoteerde ondernemingen onder bedrijven met meer dan 250 werknemers (Bron: Financial Times)
Dat trekt private equity en buitenlandse beleggers aan. Een belangrijke hefboom om aandelenmarkten verder te dynamiseren. Private-equitybedrijven stellen ondernemingen soms in staat een voldoende schaal te bereiken om naar een IPO te kunnen. Daardoor stappen die fondsen via zulke beursintroducties vaker uit dan in andere landen.
Op basis daarvan bereikte de Zweedse marktkapitalisatie in 2024 zo'n 173 % van het bbp, vrij dicht bij de Verenigde Staten met 216 % en vooral ruim voor Groot-Brittannië (82,5 %), Duitsland (46,8 % - 2023) en Frankrijk (103 %).
De OESO wijdt overigens een interessant rapport aan die Zweedse bijzonderheid.
Een laatste belangrijk argument is financiële geletterdheid - in de zin van begrip van concepten en mechanismen. Beleggen in aandelen is een aanzienlijk risico, maar kan buitensporig lijken wanneer kennis ontbreekt.
Dat tekort voedt de terughoudendheid in Europa verder.
Volgens de PwC-studie beschikt slechts 18 % van de Europeanen over een hoog niveau van financiële geletterdheid. 72 % heeft nooit in een financieel product belegd, terwijl 86 % zegt vertrouwen te hebben in het beheer van de eigen persoonlijke financiën.
Excuses voor de soep aan percentages, maar het idee is duidelijk: huishoudens missen sleutels om de deuren naar beleggen te openen. Kennis is er één van. De opkomst van beleggen bij jongeren ging gepaard met die van finance-influencers en nieuwe private spelers. Het is nu aan de politiek om die dynamiek te structureren en concreet te maken.

Aandeel van het financiële vermogen belegd in aandelen per land in 2022 (bron: PwC)





















